Het vierde Apokalyptische sonnet
Enen hemel al nieuw zag ik ende nieuw eerde
(Zeide Sint Jan) en ziet, de zee en was niet meer:
En de heilige stad, bereid van God de Heer,
Daalde neder, versierd als een bruid hoog van weerde.
Een stemme sprak: "ziet daar Gods woonste en der mensen:
Heurlie God zal Hij zijn en met heur wilt Hij wonen,
Afdrogen heur geschrei en heuren druk verschonen".
Heur licht was klaarder veel dan men zou mogen wensen.
Zij was vierkant, dees stad, en hadde viermaals drije
Poorten van peerlen fijn: dat 's drij aan elke zije.
De stad was van fijn goud, den grond van eêl gesteente -
En enen waterstroom, klaarder dan klaar kristaal,
Liep er deur, uit Gods stoel - en tot troost der gemeente
Wies 't hout des levens daar vruchtbaar, t'sjaars twelfmaal.
Jan van der Noot (1539? - ca. 1595)
uit: Het theatre oft toon-neel (1568)